jeudi 19 novembre 2015

(3) Dooyeweerd: Rationalism's Critical Flaw

START PAGE (1)                     PREVIOUS PAGE (2)                     NEXT PAGE (4)

The direction of philosophical thought to the totality of meaning implies critical self-reflection.
     Can philosophy — which ought to be guided by the Idea of the totality of meaning — then ever be possible without critical self-reflection? Evidently not. A philosophy which does not lead to this reflection must from the outset fail to be directed to the totality of meaning of our cosmos. Γνῶϑι σεαυτόν, "know thyself", must indeed be written above the portals of philosophy.

     But in this very demand for critical self-reflection lies the great problem. 

     To be sure, the ego is actually active in its philosophical thought, but it necessarily transcends the philosophical concept. For, as shall appear, the self is the  concentration-point of all my cosmic functions. It is a subjective totality which can neither be resolved into philosophical thought, nor into some other function, nor into a coherence of functions. Rather it lies at the basis of all the latter as their presupposition. Without conceptual determination, however, we cannot think in a theoretical sense, and consequently we cannot philosophize.

     How then can self-reflection be possible, if it does not transcend the concept and consequently the limits of philosophical thought?

     However, there seems to be a way out of this difficulty. There is no sense in requiring philosophical thought to exceed its immanent limits in order to attain to self-reflection.

     If it be granted, that in philosophical thought the ego is active when actually thinking, it follows that this thinking must be concentrated from the outset upon the selfhood, only in so far as the latter functions in the logical sphere as a subjectivity which is no longer to be eliminated. This thinking ego then is the residue of a methodical elimination of all those moments in the concrete "individual self" functioning in "time and space" which I can still make into a "Gegenstand" (1) of the ultimate subjective logical function of thought.
__________
(1) Translator's note: "Gegenstand": this German term commonly translated by "object" in epistemological discussions, is used by DOOYEWEERD in the sense of the non-logical aspects of reality which in the theoretical attitude of thought are opposed to the logical function. It is sharply contrasted by him with the "object", the meaning of which will be explained in a later context. W. Y.
__________
See also Dr J. Glenn Friesen's extensive glossary note on "Gegenstand"
_______________________________
 De richting van het wijsgeerig denken op de zintotaliteit impliceert de critische zelf-bezinning.
Kan dan de wijsbegeerte, die in haar theoretische werkzaamheid door de idee der zin-totaliteit gericht behoort te zijn, ooit zonder wijsgeerige bezinning op de zelf-heid mogelijk zijn? Blijkbaar niet. Een wijsbegeerte, die in het wijsgeerig denken niet tot wijsgeerige bezinning op de zelfheid komt, moet van meetaf haar richting op de zin-totaliteit van onzen kosmos missen. Het Γνῶϑι σεαυτόν, het ‘Ken u zelve’, moet inderdaad boven de ingangspoort der wijsbegeerte worden geschreven.

     Maar juist in dezen eisch der wijsgeerige zelf-kennis schuilt het groote probleem.

     Het ik, dat wijsgeerig denkt, is wel in dit denken actueel werkzaam, maar gaat noodzakelijk het wijsgeerig begrip te boven, wijl, gelijk zal blijken, de zelfheid het concentratiepunt is van al mijn kosmische functies, een subjectieve totaliteit, welke nòch in het wijsgeerig denken, nòch in eenige andere functie, nòch in den samenhang dezer functies kan opgaan, maar veeleer als vóór-onderstelde aan alle ten grondslag ligt. Zonder begrips-omgrenzing kunnen wij echter niet denken, dus ook niet wijsgeerig denken.

     Hoe kan dan nog wijsgeerige zelf-kennis mogelijk zijn, zoo niet die zelf-kennis zelve het begrip te boven gaat?

     Hier schijnt zich echter een uitweg te bieden.

     Men kan van het wijsgeerig denken niet zin-vol vragen, dat het zijn immanente grenzen zal overschrijden, om tot de zelf-kennis te geraken.

     Welnu, als toegegeven is, dat in het wijsgeerig denken het ik actueel denkend werkzaam is, dan moet de wijsgeerige zelf-kennis zich van meetaf concentreeren op de ik-heid, voorzoover die zich in dat denken zelve als een niet meer uit te schakelen subjectiviteit actueel openbaart.

     Deze ik-heid is dan het residu van een methodische uitschakeling van al die momenten in het concrete, in den tijd fungeerende ‘individueele ik’, welke ik nog tot ‘Gegenstand’ van het denken kan maken.
__________________________
START PAGE (1)                     PREVIOUS PAGE (2)                     NEXT PAGE (4)