jeudi 19 novembre 2015

(7) Dooyeweerd: Rationalism's Critical Flaw

START PAGE (1)                     PREVIOUS PAGE (6)                     NEXT PAGE (8)

The restlessness of meaning in the tendency of philosophic thought towards the origin.
     This restlessness manifests itself in the tendency of philosophic thought to move toward the origin. It is essentially the restlessness of our ego which is actually operative in philosophic thought. It issues from our own selfhood, from the root of our existence. This restlessness is transmitted from the selfhood to all temporal functions in which this ego is actually operative.

     Inquietum est cor nostrum et mundus in corde nostro! [Our heart is restless, and the world/universe in our heart! (FMF)]

     Our selfhood is actually operative in philosophic thought. As certainly as philosophic self-reflection is impossible apart from the direction towards the ego, so certainly does it require to be directed towards the ἀρχή of our selfhood and of the totality of meaning. The ego must participate in this totality, if genuine thinking in terms of totality is to be possible.

     Philosophic thought as such derives its actuality from the ego. The latter restlessly seeks its origin in order to understand its own meaning, and in its own meaning the meaning of our entire cosmos!

     It is this tendency towards the origin which discloses the fact that our ego is subjected to a central law. This law derives its fulness of meaning from the origin of all things and limits and determines the centre and root of our existence.

     Thus, a two-fold pre-supposition of philosophic thought is discovered at the outset: 

     - In the first place, philosophic thought pre-supposes an Archimedean point for the thinker, from which our ego in the philosophic activity of thought can direct its view of totality over the modal diversity of meaning. 

     - Secondly, it presupposes a choice of position in the Archimedean point in the face of the ἀρχή, which transcends all meaning and in which our ego comes to rest in the process of philosophic thought.

The three requirements which the Archimedean point must satisfy.
     The Archimedean point should satisfy these three conditions:

     First - It may not be divorced from our own subjective self. For it is our self that is actually operative in philosophic thought. And only in this centre of our existence can we transcend the modal diversity of meaning.

     Second - It may not be divorced from the concentric law of the ego's existence. Without this law the subject drops away into chaos, or rather into nothingness. Only by this law is the ego determined and limited.

     Third - It must transcend all modal diversity of meaning and be found in the totality and radical unity of the latter. Our ego must participate in this totality, if it is to have an idea of it inthe process of philosophic thought.

Dr J. Glenn Friesen's Dooyeweerd Glossary
Free download of entire "New Critique of Theoretical Thought" 
De onrust van den zin in de oorsprongstendenz van het wijsgeerig denken.
     Deze onrust, zich openbarend in de oorsprongstendenz van het wijsgeerig denken, is in wezen de onrust onzer zelfheid, die in dat wijsgeerig denken actueel werkzaam is.

     Zij stamt uit ons eigen ik, uit den wortel van ons bestaan, en plant zich uit de zelfheid voort in alle tijdelijke functies, waarin dit ik actueel werkzaam is:

     Inquietum est cor nostrum et mundus in corde nostro!

     Onze zelfheid is in het wijsgeerig denken actueel werkzaam en zoo zeker het wijsgeerig denken in de wijsgeerige zelf-bezinning niet zonder de richting op de zelfheid bestaat, zoo zeker eischt het zijn richting op de ἀρχή onzer zelfheid en der zin-totaliteit, aan welke laatste die zelfheid deel moet hebben, zal een waarachtig totaliteits-denken mogelijk zijn.

     Het wijsgeerig denken qua talis heeft de actualiteit van zijn zin uit de zelfheid, die onrustig haren oorsprong zoekt, om haar eigen zin te verstaan en in haar eigen zin den zin van heel onzen kosmos!

     En juist in de oorsprongstendenz openbaart onze zelfheid haar subjectieve onderworpenheid aan een wet, die uit den Oorsprong aller dingen de zin-volheid harer gelding put, en die onze zelfheid begrenst en bepaalt.

     Daarmede is reeds in den aanvang tweeërlei voor-onderstelling van het wijsgeerig denken ontdekt: 

     1 - een Archimedisch punt voor den denker, van waaruit onze zelfheid in de wijsgeerige denkactiviteit den blik der totaliteit over onzen kosmos kan richten en 

     2 - een stellingkeuze in het Archimedisch punt tegenover de ἀρχήdie allen zin transcendeert en waarin onze zelfheid, wijsgeerig denkende, tot rust komt, wijl, boven die ἀρχή pogende uit te gaan, geen vraagstelling meer zin heeft.

De drie vereischten, waaraan het Archimedisch punt moet voldoen.
En het Archimedisch punt behoort aan deze drie voorwaarden te voldoen:

     1- Het mag niet los zijn van onze eigen subjectieve zelfheid, want het is deze zelfheid, die in het wijsgeerig denken actueel werkzaam is en waarin wij de zin-verscheidenheid alleen kunnen transcendeeren.

     2 - Het mag niet los zijn van de wet, want zonder wet zinkt het subject weg in chaos, of liever in het niet, wijl het slechts door de wet bepaald en begrensd wordt.

     3 - Het moet alle zin-verscheidenheid transcendeeren en zich bevinden in de zin-totaliteit van den kosmos, waaraan onze zelfheid deel moet hebben, zal zij er, wijsgeerig denkende, een idee van hebben.

Free download of entire "De Wijsbegeerte der Wetsidee" 
START PAGE (1)                     PREVIOUS PAGE (6)                     NEXT PAGE (8)