jeudi 19 novembre 2015

(6) Dooyeweerd: Rationalism's Critical Flaw

START PAGE (1)                     PREVIOUS PAGE (5)                     NEXT PAGE (7)

The opposition between so-called critical and genetic method is terminologically confusing, because it is not clearly defined in its sense.
     For the basic tendency mentioned above is so essential to philosophy that it makes its appearance at the heart of all epistemological questions. In its reference to the apriori conditions of all human knowing, the critical question how universally valid knowledge of our cosmos is possible may need to be sharply distinguished from all questions relating to the non-apriori moments of our knowledge. Yet it is to a high degree terminologically confusing to speak of a critical, in opposition to a genetic mode of thought, as is usual in certain currents of the neo-Kantian philosophy.

     For the critical question, after a little reflection, necessarily leads to the genetic: What is the origin of our knowledge and of knowable reality? (1)
__________
(1)  The 'critical' Marburg school, for instance, even speaks of an origin of being in a transcendental-logical sense. "Nur das Denken kann erzeugen, was als Sein gelten darf" ["Only thinking can produce what is regarded as being"] (COHEN). Here one can clearly see how critical and genetic problems coincide in a transcendental logical sense.
__________
     The only thing that matters is the question about the meaning of the genetic problem, and no sooner has this question been raised, than it is seen to imply the problem of how a theory of knowledge is at all possible.

     Meaning, as we said, constantly points without and beyond itself toward an origin, which is itself no longer meaning. It remains within the bounds of the relative. The true Origin, on the contrary, is absolute and self-sufficient!

     Suppose now, that one or more of our cognitive functions in their apriori structure are from the outset theoretically regarded as independent, i.e. thought of apart from all further possible determinedness (as is done by a certain idealistic trend of philosophic thought, which is falsely called critical). In that case these functions are necessarily elevated to the role of apriori origin of our knowable cosmos.

     If philosophic thought comes to a halt at this assumed ἀρχή, the question as to the meaning of our knowledge is automatically precluded. For the ἀρχή is transcendent to all meaning. In this case, the knowable cosmos rather derives all its meaning from the supposedly self-sufficient apriori structure of the cognitive functions.

     At this stage of the preliminary fundamental questions which concern the foundation of philosophy, philosophic thought has come to rest in the pretended origin of all knowable meaning.

     Thus for example, from the standpoint of the neo-Kantian of the Marburg School, there is no sense in inquiring after the origin of transcendental-logical meaning, in which this philosopher supposes he can understand the whole of cosmic reality. According to him, the very origin of our knowable world is transcendental-logical in nature. Thus reality derives all its possible meaning from transcendental-logical thought!

     If, however, the thinker finds no rest in logical meaning, he is necessarily driven further into preliminary philosophical questions. The pretended ἀρχή appears not to be the true origin, but rather to exist merely as meaning, which points beyond itself towards its true origin.

     Thought will not be set at rest in the preliminary philosophical questions, until the ἀρχή is discovered, which alone gives meaning and existence to philosophic thought itself.

     Philosophic thought cannot withdraw itself from this tendency towards the origin.

     It is an immanent conformity to law for it to find no rest in meaning, but to think from and to the origin to which meaning owes its ground and existence. Only after the raising of questions ceases to be meaningful, does philosophic thought attain to the Origin, and is it set at rest.
 ________________________
Dr J. Glenn Friesen's Dooyeweerd Glossary
HERE
Free download of entire "New Critique of Theoretical Thought" 
 ________________________
De tegenstelling tusschen zgn. critische en genetische methode is terminologisch verwarrend, wijl niet in haar zin omlijnd.
     Want de bedoelde grondtendenz is aan de wijsbegeerte zoo wezenlijk, dat zij zich in het hart van alle ken-critische vragen zelve openbaart. De critische vraag: hoe is algemeengeldige kennis van onzen kosmos mogelijk? moge in de wending op de apriorische voorwaarden van alle menschelijk kennen zich scherp onderscheiden van alle vragen naar de niet-apriorische momenten onzer kennis, het is terminologisch nochtans in hooge mate verwarrend van een critische in tegenstelling tot een genetische denkwijze te spreken, gelijk zulks bij bepaalde stroomingen der Kantiaansche wijsbegeerte gebruikelijk is.

     Immers de critische vraag loopt bij eenig nadenken noodzakelijk uit in de genetische: Welke is de oorsprong onzer kennis en der kenbare werkelijkheid? (1)
___________
(1) De criticistische Marburger-richting spreekt dan ook van een oorsprong der realiteit in transcendentaal-logischen zin! ‘Nur das Denken kann erzeugen, was als Sein gelten darf’ (COHEN).
_________
     Alles komt slechts aan op den zin, waarin de genetische vraag gesteld wordt en men behoeft deze vraag naar den zin slechts te stellen, om in te zien, dat daarin inderdaad de mogelijkheid der kennistheorie zelve tot probleem wordt gemaakt.

     De zin wijst, gelijk wij zagen, steeds buiten en boven zich zelve uit naar een oorsprong, die zelve niet zin meer is. De zin blijft in het betrekkelijke. De ware Oorsprong daarentegen is absoluut, zelfgenoegzaam!

     Worden nu een of meer onzer kennis-functies naar hare apriorische structuur van meetaf in een bepaalde, ten onrechte critisch genoemde, idealistische instelling van het wijsgeerig denken, theoretisch op zich zelve gesteld, dwz. los gedacht van alle verdere mogelijke bepaaldheid, dan worden zij noodwendig zelve tot apriorischen oorsprong van onzen kenbaren kosmos verheven.

     Houdt het wijsgeerig denken bij deze vermeende ἀρχή op, dan is de vraag naar den zin onzer kennis vanzelve uitgesloten. De ἀρχή immers is aan allen zin transcendent.
     De kenbare kosmos put veeleer al zijn zin uit de zelfgenoegzaam geloofde apriorische structuur der kennisfuncties.

     Het wijsgeerig denken is, op de étappe der fundamenteele vóór-vragen, welke de grondlegging der wijsbegeerte betreffen, tot rust gekomen in den vermeenden oorsprong van allen kenbaren zin.

     Zoo heeft het bv. op het standpunt van den Neo-Kantiaan der zgn. Marburgerrichting geen zin meer, te vragen naar den oorsprong van den transcendentaal-logischen zin, waarin hij heel de kosmische werkelijkheid meent te kunnen vatten. De oorsprong zelve van onze kenbare wereld is immers volgens hem van transcendentaal-logische geaardheid. De kosmos put op dit standpunt al zijn mogelijken zin uit het transcendentaal-logisch denken!

     Vindt echter de denker in den logischen zin geen rust, dan wordt hij noodwendig verder gedreven in zijn wijsgeerige vóór-vragen. De vermeende ἀρχή blijkt niet de ware oorsprong te zijn, doch zelve slechts als zin te bestaan, die naar zijn waren oorsprong heenwijst.

     Het denken zal in de wijsgeerige vóór-vragen niet tot rust komen, alvorens die ἀρχή ontdekt is, die aan het wijsgeerig denken zelve eerst zin, eerst creatuurlijk aanzijn, geeft.

     Aan deze oorsprongs-tendenz kan het wijsgeerig denken zich niet onttrekken.

     Het is zijn immanente wetmatigheid, in den zin geen rust te vinden, maar uit en tot den oorsprong te denken, waaraan de zin zijn grond en aanzijn dankt. Eerst waar de zin van het vragen ophoudt, is het tot den oorsprong en het wijsgeerig denken tot rust gekomen.
________
Free download of entire "De Wijsbegeerte der Wetsidee" 
HIER
___________________________
START PAGE (1)                     PREVIOUS PAGE (5)                     NEXT PAGE (7)